Opa's en oma's

Mijn broer is onlangs opa geworden. Dat klinkt leuker dan het is. Er is een soort gekte in hem geslopen, die ertoe leidt dat hij mij vrijwel continu bestookt met appjes en mailtjes waarop zijn kleinzoon slapend, etend, knuffelend of lachend te zien is. Ik heb mijn broer nog nooit zo enthousiast gezien. Ergens wel logisch, want we hebben het hier natuurlijk wel over het - ik citeer ,,allermooiste en allerliefste kind aller tijden´´.

Een bekende Voorthuizense garagehouder die ik onlangs sprak, beweerde ook al zoiets over zíjn kleinkind. Alle grootouders zijn het in ieder geval over één ding roerend eens: hun kleinkinderen zijn UNIEK!

Opa’s en oma’s zijn bijzondere wezens. Alle pedagogische regels waar ze hun kinderen ooit mee lastigvielen, gooien ze na de geboorte van hun kleinkinderen zonder pardon overboord. Als mijn kinderen bij opa en oma logeren, worden ze daar op drie achtereenvolgende dagen getrakteerd op patat, pizza en pannenkoeken, ook wel bekend onder de codenaam ‘’de drie p’s’’. Tussen de bedrijven door worden ze volgepropt met chips, koek, snoep en andere versnaperingen.

Veel later naar bed dan normaal? Natuurlijk! Het is immers feest. Met een onverantwoord hoge suikerspiegel en een rugzak vol herinneringen (´bij opa en oma mag altijd alles en bij jullie mag nooit iets´) worden ze uiteindelijk weer thuis afgeleverd. Aan de ouders de weinig dankbare taak om de bloedjes van kinderen terug te krijgen in het harnas van reinheid, regelmaat en rust.

Als kersverse vijftiger ben ik in een fase beland dat vrienden hun ouders moeten begraven. Tijdens de plechtigheden is er bijna altijd wel een moment waarop de kleinkinderen voor het laatst opa of oma -meestal snikkend- mogen toespreken. Vol overgave halen ze herinneringen op aan -bijvoorbeeld- de geweldige logeerpartijen die ze bij hun grootouders mochten beleven.

Nog mooier wordt het als blijkt dat opa of oma in de puberteit als luisterend oor diende of als liefdevolle, wijze raadgever.

En mochten de kleinkinderen in de gelukkige omstandigheid zijn om ook op volwassen leeftijd nog een opa of oma te hebben, dan groeit de relatie in sommige gevallen zelfs door naar een waardevol contact dat gebaseerd is op gelijkwaardigheid.

Dat is echter niet vanzelfsprekend. Het vraagt van grootouders een enorme mate aan flexibiliteit om mee te groeien met hun kleinkinderen. Op een kwade dag willen die ´schatjes´ niet meer op je schoot zitten of afgescheept worden met een lollie. Als ze ouder worden, kun je ze niet meer op een betuttelende toon toespreken. Dan wordt er meer verlangd. Opa’s en oma’s die met hun kleinkinderen meegroeien, zijn in alle fasen goud waard. Maar ook de grootouders die deze flexibiliteit niet kunnen opbrengen, zijn ongelooflijk belangrijk. Die onvoorwaardelijke liefde van een opa en oma, ontvangen in je jongste jeugd, draag je de rest van je leven mee.

Erik Roest