• Ds. Kees de Groot: ,, is het juist goed dat je je er als predikant van bewust blijft dat je een leerling bent. Als gelovige, dus ook als predikant, ben je nooit gearriveerd.''

    Kees Adema

'In stad voel ik me speld in hooiberg'

ZWARTEBROEK Eens een dorpsjongen, altijd een dorpsjongen. Voor ds. Kees de Groot (55) uit Nunspeet, die in Zwartebroek ter wereld kwam, gaat dit zeker op. ,,Mijn vrouw komt uit Zwolle. Als we met z'n tweeën een straat oversteken, is zij al aan de andere kant, terwijl ik nog sta te kijken of het wel kan'', lacht de predikant.

Fija Nijenhuis

De Groot vierde vorige week zijn 25-jarig ambtsjubileum in een kerkelijke gemeente die bestaat uit nederlands-gereformeerde en gereformeerd-vrijgemaakte leden. Hij is zelf nederlands-gereformeerd en werd geboren in een hervormd gezin.

Hoe lang hebt u in Zwartebroek gewoond?

,,Tot mijn vijfde jaar. Mijn vader was onderwijzer op de Dr. mr. Willem van den Bergh-school. Dit was een gereformeerde school, waar mijn vader was de eerste hervormde onderwijzer was, heb ik begrepen. Zelf heb ik alleen de kleuterschool doorlopen in Zwartebroek. Mijn juf heette Van de Beek of Van Beek. Ik herinner me niet heel veel meer uit die tijd. Ik weet nog wel dat ik vaak mee mocht op de trekker van de overbuurman en dat ik op zaterdag vijf cent kreeg en snoep mocht kopen bij kruidenier Landman.’’

Waar gingen jullie wonen na Zwartebroek?

,,We verhuisden naar Rijnsaterwoude, bij Alphen aan den Rijn. Dat was met 1.200 inwoners groter dan Zwartebroek, dat in mijn tijd 700 inwoners had. Na Rijnsaterwoude kwamen we terecht in Werkendam, met 10.000 inwoners. Mijn voorkeur is altijd uit blijven gaan naar het wonen in een dorp. Ik houd van contacten met mensen, het plaatselijke verenigingsleven, de korte lijnen en het gegeven dat veel mensen elkaar kennen. Als predikant heb ik beroepen gehad naar onder andere Eindhoven, Arnhem en Den Haag, maar ik weet van mezelf dat ik me in dat soort steden voel als een speld in een hooiberg. Daarom ben ik dankbaar dat God me als predikant naar dorpen als Zeewolde en Nunspeet riep.’’

U bent ook docent aan de predikantenopleiding in Kampen. U geeft - naast catechetiek - homiletiek, predikkunde. Vanwaar uw keuze voor dit vak?

,,Preken is de core business van de predikant. Het is belangrijk dat dat goed gebeurt. Preken is een ambacht, maar je hebt ook te maken met roeping en gave. Zelf vond ik het lastig om alle kennis die ik opdeed in de opleiding te verwerken in mijn preken. Ik heb daarom, als een didactisch model, het ‘Stappenplan preekvoorbereiding’ gemaakt. Als je dat volgt, heeft een preek alles wat die zou moeten bevatten.’’

Dat klinkt nogal zakelijk.

,,Het is belangrijk dat een preek gemaakt wordt met een biddend hart. Maar je moet wel weten waarom je een preek houdt. Weet je dat niet, dan kan niemand die navertellen. Kort gezegd zijn drie dingen belangrijk: hoofd, hart en handen. Wat moeten de mensen weten, wat ervaren en wat doen?’’

U hebt een keer gezegd dat het goed is als predikanten om feedback vragen op hun preek. Gebeurt dat volgens u genoeg?

,,Een van de onderdelen van de verplichte nascholing voor predikanten is een keuzevak waarin men in een groepje elkaars preken gaat bespreken. Daar is maar weinig animo voor. Een keuzevak over preekstructuren is populairder. Maar daarbij krijg je iets aangereikt en staat niet je eigen preek centraal. Ik heb de indruk dat veel predikanten denken dat ze goed kunnen preken. En het is natuurlijk best moeilijk om je kwetsbaar op te stellen. Toch is het juist goed dat je je er als predikant van bewust blijft dat je een leerling bent. Als gelovige, dus ook als predikant, ben je nooit gearriveerd. Omdat de maatschappij zich ontwikkelt, moet het beroep van dominee mee ontwikkelen. Je ziet bijvoorbeeld dat de spanningsboog van mensen steeds korter wordt: een tijdje naar een preek luisteren wordt moeilijker. Hoe houd je als predikant dan toch de aandacht vast? Die vraag was twintig jaar geleden echt veel minder prangend dan nu.’’

Bent u vaak in de universiteit te vinden?

,,Ik ben voor tweederde predikant en voor eenderde docent. Vijftig keer per jaar ga ik voor in mijn eigen gemeente in Nunspeet en ook geef ik catechisatie en probeer ik veel bezoekwerk te doen. Dat laatste vind ik belangrijk, fundamenteel zelfs voor een predikant. Want je kunt de schapen niet voeden zonder ze te ‘voelen’.’’

Hoe kijkt u terug op 25 jaar predikantschap?

,,Ik ben steeds meer de grootheid van God en mijn eigen kleinheid gaan ervaren. En ik heb meer oog gekregen voor Israël. In de ochtenddienst van 23 september is stilgestaan bij het ambtsjubileum. Voor deze dienst heb ik psalmen en liederen gekozen die de afgelopen jaren met me zijn meegegaan. Psalm 56 vers 5 uit de Oude Berijming bijvoorbeeld, ‘Ik roem in God, ik prijs ’t onfeilbaar woord, ik heb het zelf uit Zijnen mond gehoord’, en ook het Opwekkingslied ‘Heer wat een voorrecht om in liefde te gaan’.

Ik besef meer en meer dat de kerk er niet is voor de kerk, maar voor de wereld. Daarom beweeg ik me ook altijd in kringen buiten de kerk, zodat ik niet vastgeroest raak in mijn denken. Ik sta bijvoorbeeld op zaterdag op het voetbalveld en ben voorzitter van de Rotary. Mijn vrouw en ik voelen ons thuis in Nunspeet. Naar de mens gesproken is er niets in mij dat zegt: ik ga binnenkort weer verder. Maar God leidt.’’