• ..

Vrijwilligerswerk en letselschade

BARNEVELD Uit onderzoek van het CBS blijkt dat organisaties steeds meer gebruik maken van vrijwilligers voor bijvoorbeeld het organiseren van activiteiten, collecteren, doen van klussen, vervoer, bestuurlijke werkzaamheden, training en scholing.

De meeste werkgevers en werknemers zijn er wel bekend mee dat een werkgever jegens de werknemer in beginsel aansprakelijk is als de werknemer tijdens het werk letselschade oploopt. Dit vloeit voort uit artikel 7:658 lid 2 BW. Dat ook vrijwilligerswerk niet is uitgesloten van het beschermingsbereik van artikel 7:658 BW is minder bekend. Dit vloeit voort uit artikel 7:658 lid 4 BW dat als volgt luidt: 'Hij die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf arbeid laat verrichten door een persoon met wie hij geen arbeidsovereenkomst heeft, is overeenkomstig de leden 1 tot en met 3 aansprakelijk voor de schade die deze persoon in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt. De kantonrechter is bevoegd kennis te nemen van vorderingen op grond van de eerste zin van dit lid.'

De wetgever beoogde hiermee duidelijkheid te scheppen in de rechtspositie van uitzendkrachten en ingeleend personeel ingeval deze categorie werknemers tijdens de uitvoering van hun werkzaamheden (letsel)schade oplopen. In de praktijk bestond vervolgens lange tijd discussie of het beschermingsbereik van artikel 7:658 lid 4 BW ook van toepassing was op vrijwilligerswerk.

In december 2017 heeft de Hoge Raad een belangrijke uitspraak gedaan waarmee op dit punt duidelijkheid is gegeven. Het betrof een zaak waarin een vrijwilliger die deel uitmaakte van een door een parochie opgerichte zogenaamde 'klusgroep' met goedkeuring van het parochiebestuur verlichting moest plaatsen op het dak van de kerk, waarmee de toren en muur van de kerk kon worden verlicht. Om te kunnen bepalen waar de lampen het beste zouden kunnen worden geplaatst deed de betreffende vrijwilliger ter plaatse onderzoek. Daarbij is hij van het kerkgebouw gevallen met ernstig meervoudig letsel tot gevolg, waaronder een dwarslaesie. De vrijwilliger raakte vervolgens verwikkeld in een jarenlange gerechtelijke procedure ter vaststelling van de aansprakelijkheid van het kerkgenootschap.

Door de parochie werd betoogd dat de vrijwilligersactiviteiten geen beroeps- of bedrijfsactiviteiten waren, maar werden beheerst door het geloof en werden uitgevoerd vanuit sociale en maatschappelijke betrokkenheid. Ook werd betoogd dat geen van de wel bij de parochie in dienst zijnde werknemers activiteiten verrichtten die gelijk waren aan de door de vrijwilligers van de klusgroep uitgevoerde werkzaamheden. De vrijwilliger zou volgens de parochie daarom geen beroep kunnen doen op het beschermingsbereik van artikel 7:658 lid 4 BW. Met dit verweer heeft de Hoge Raad terecht korte metten gemaakt. De Hoge Raad oordeelde als volgt:
"Uit de parlementaire geschiedenis op art. 7:658 lid 4 BW kan als bedoeling van de wetgever worden afgeleid dat de bepaling ertoe strekt bescherming te bieden aan personen die zich, wat betreft de door de werkgever in acht te nemen zorgverplichtingen, in een met een werknemer vergelijkbare positie bevinden. Dit brengt mee dat art. 7:658 lid 4 BW zich voor toepassing leent indien de persoon die buiten dienstbetrekking werkzaamheden verricht, voor de zorg voor zijn veiligheid (mede) afhankelijk is van degene voor wie hij die werkzaamheden verricht. Of dit het geval is, zal aan de hand van de omstandigheden van het geval bepaald moeten worden, waarbij onder meer van belang zijn de feitelijke verhouding tussen betrokkenen en de aard van de verrichte werkzaamheden, alsmede de mate waarin de 'werkgever, al dan niet door middel van hulppersonen, invloed heeft op de werkomstandigheden van degene die de werkzaamheden verricht en op de daarmee verband houdende veiligheidsrisico's.

Uit het voorgaande volgt dat vrijwilligerswerk niet is uitgesloten van het beschermingsbereik van art. 7:658 lid 4 BW. Beslissend is immers of degene die werkzaamheden verricht, zich bevindt in een met een werknemer vergelijkbare positie en daarom aanspraak heeft op dezelfde door de werkgever in acht te nemen zorg. Dat ook een vrijwilliger zich in deze positie kan bevinden, is in overeenstemming met de opvatting van de minister van SZW, die op een kamervraag antwoordde "dat de zorg van de werkgever voor de veiligheid van de voor hem
werkzame personen ingevolge art. 7:658 BW zich ook tot vrijwilligers uitstrekt."

Dat de werkzaamheden die verweerder als vrijwilliger uitvoerde, nimmer door werknemers van de parochie zouden zijn uitgevoerd, doet, anders dan het middel tot uitgangspunt neemt, niet ter zake, nu uit de parlementaire toelichting op art. 7:658 lid 4 BW volgt dat volstaat dat de Parochie die werkzaamheden ook door eigen werknemers had kunnen laten verrichten. De vrijheid van degene die een bedrijf uitoefent, om ervoor te kiezen het werk te laten verrichten door werknemers of door anderen, behoort niet van invloed te zijn op de rechtspositie van degene die het werk verricht en betrokken raakt bij een bedrijfsongeval of anderszins schade oploopt."

Aangeboden door mr. F.A. (Frans) Janse, letselschade- en arbeidsrechtadvocaat bij Janse Advocaten in Barneveld.